6min_arch_nl.gif (2209 bytes)
4e kwart. 2004

6minutes België ontcijferd

Nationaal Instituut voor de Statistiek

6minutes.net is een gesegmenteerde nieuws- en informatiekrant via e-mail. Bestaat uit meer dan een dozijn gratis
e-mailnieuwsbrieven, elk in een specifiek interessedomein. Een initiatief van Toon Lowette en Leo Van Dorsselaer.

GRATIS abonnement

OVERZICHT van alle titels

BEHEER uw adres: opzeg, adreswijziging, taal

JAARREKENINGEN - databank

ARCHIEF van eerder verschenen edities

Uw PRIVACY 

ADVERTEREN in 6minutes.net

1minute ADVANTAGE

6minutes OP UW SITE

KALENDER

CONTACT

E-zines EN FRANCAIS

6minutes.net is een uitgave van 6minutes Press bvba
Lakensestraat 147 bus 15, 1000 Brussel
editor@XXX6minutes.net
(schrap de XXX als u een mail stuurt - antispam-maatregel)


Domeinnaam registratie & webhosting via Register.be

Archief

 

 

6minutes belgië ontcijferd # 11 van 6/12/2004
cijfers en statistieken over België, zijn inwoners en zijn buren,
leesbaar gemaakt door het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek)

 

In deze editie:
1 - Nog steeds loonverschillen tussen mannen en vrouwen
2 - ... en de verklaring?
3 - Rap en hip hop populairste muziekgenre bij jongeren
4 - Het gevecht met de inbox (1)
5 - Het gevecht met de inbox (2)
6 - Hoe sportief zijn de Fransen ?

1 - Nog steeds loonverschillen tussen mannen en vrouwen

Een recent onderzoek van het HR Kenniscentrum van SD WORX toont aan dat vrouwen in 2004 gemiddeld 4,7 procent minder verdienen dan hun mannelijke collega's voor eenzelfde functie. Vooral in de leeftijdscategorie 50 jaar en ouder lopen de verschillen op. Vrouwen van vijftig en meer verdienen gemiddeld bijna een tiende (9,6 procent) minder dan hun mannelijke leeftijdsgenoten. De verschillen nemen toe naarmate het functieniveau stijgt. Bij directiefuncties en bij het hoger en middenkader zien we salarisverschillen van 9,2 procent; bij de bedienden en het lager kader bedraagt de loonkloof gemiddeld nog 4,4 procent. Toch is er hoop voor de vrouwen: bij jonge werknemers zijn de loonverschillen kleiner. Zo verdienen vrouwelijke bedienden van 25 tot 29 jaar slechts 3,1 procent minder dan hun mannelijke collega's.
Vrouwelijke bedienden verdienen 4,7 procent minder dan mannen voor eenzelfde functie

2 - ... en de verklaring?

Maar bestaan er geen objectieve redenen die de loonverschillen tussen mannen en vrouwen verklaren? De bedrijfswereld opereert op nogal rationele wijze; misschien zijn er dus ook rationele redenen voor het verschil in wedde. Eén van de mogelijke deelverklaringen is het hoger arbeidsverzuim van vrouwen. Het absenteïsme van vrouwelijke bedienden bedroeg in 2003 6,85 procent, dat van mannelijke bedienden slechts 3,2 procent. Dat is nog niet de helft. Misschien houden werkgevers daar rekening mee?
Lorenzo Andolfi van SD WORX: "Het verzuimpercentage ligt wel hoger bij vrouwen, maar of de werkgever daar nu bij de beloning rekening mee houdt, zou ik niet durven beweren. Uit ons onderzoek stellen we alleen vast dat vrouwen op een bijna consistente manier minder verdienen dan mannen voor wat betreft het vaste loon. Kunnen we spreken van discriminatie? Vermoedelijk wel, maar eigenlijk zouden we binnen eenzelfde onderneming moeten controleren of een man, die exact hetzelfde doet als zijn vrouwelijke collega van dezelfde leeftijd en met dezelfde ervaring, al dan niet meer verdient. Het loonverschil van 4,7 procent procent houdt rekening met de job en leeftijd, maar dit betekent niet dat er in elke onderneming een loonverschil van 4,7 procent bestaat. Het is een cijfer dat over de ondernemingen heen berekend werd."
Aan een verschil in onbetaalde overuren kan het volgens Lorenzo Andolfi moeilijk liggen: "Dat lijkt me eerder onwaarschijnlijk. Uit de databank van het Sociaal Secretariaat van SD WORX, waarin gegevens zitten van 400.000 individuen, blijkt dat in 2003 het aantal betaalde overuren bij mannen hoger lag dan dat bij vrouwelijke bedienden. Bovendien bleek uit ander onderzoek bij 3.000 werknemers dat het aandeel werknemers dat overuren betaald krijgt bij vrouwen lager ligt dan bij mannen. Op het aantal onbetaalde extra uren dat iemand klopt, hebben we geen zicht. Ik kan deze stelling dan ook niet bekrachtigen."
In het onderzoek werden ongeveer tachtig verschillende bediendenfuncties onder de loep genomen. Enkel het salaris dat een bediende elk jaar vast uitbetaald krijgt, werd hierbij in beschouwing genomen. Het variabele loon en de extralegale voordelen werden niet onderzocht.
Arbeidsverzuim in de privé-sector

3 - Rap en hip hop populairste muziekgenre bij jongeren

Uit onderzoek van de Onderzoeksgroep TOR (Tempus Omnia Revelat) van de VUB blijkt dat rap en hip hop in 2002 het populairste muziekgenre was bij jongeren van 14 tot 18 jaar. Liefst 73 op 100 jongeren vinden rap en hip hop goed tot zeer goed. Op de tweede plaats komt soul en R&B, rock volgt op de derde plaats. House kent een stevige terugval. Ten tijde van het vorige onderzoek (1999-2000) kwam house nog als populairste muziekvorm uit de bus, maar in 2002 is house teruggevallen tot een elfde plaats. Eén kanttekening: in de klassering staan ook nog de verwante muziekstijlen techno (52 procent van de jongeren houdt hiervan), drum 'n bass (die 51 procent van de jongeren weet te bekoren) en gabber (20,9 procent liefhebbers). Bijna de helft (46,7 procent) van de 14- tot 18-jarigen luistert graag naar heavy metal en hard rock. Fusion en lounge wordt gesmaakt door 22,8 procent, wereldmuziek door 29,8 procent, folk door 15,4 procent, klassieke en licht klassieke muziek door 16,1 procent en 14 procent apprecieert het Frans chanson. Al deze cijfers zijn te vinden in “Maatschappelijke participatie van jongeren. Bewegen in de sociale, vrijetijds- en culturele ruimte”, een studie van de hand van Wendy Smits van de VUB.
Welke functies vervult muziek eigenlijk? Socioloog Frank Stevens, die eveneens meewerkte aan de studie, legt uit: “Jeugdonderzoek in Vlaanderen toont aan dat jongeren muziek gebruiken voor verschillende redenen: om zich te ontspannen, om troost te zoeken of gewoon om de tijd door te brengen. Natuurlijk vervult muziek ook een sociale functie: het is een ideaal gespreksonderwerp en helpt om een groepsgevoel te creëren of om zich juist te onderscheiden van andere jongeren.”
Maatschappelijke participatie van jongeren

4 - Het gevecht met de inbox (1)

Het is 14u20, ik heb 17 mails verstuurd en al 24 “gewone” e-mails en een vijftiental spammails ontvangen. Mijn inbox zit proppensvol. Een ruwe schatting leert me dat het om zo’n 6.000 mails moet gaan. Het gevecht met de inbox lijkt op een neerwaartse spiraal waarbij er alsmaar meer berichten binnenkomen dan er verwerkt kunnen worden. Waarschijnlijk ben ik lang niet de enige die in zo’n situatie verkeert. In mei 2004 ondervroeg time-smart, een bedrijf dat sinds 1991 gespecialiseerd is in time-management, 2.130 personen over hun e-mailgewoonten op het werk.
Enkele vaststellingen: 77,0 procent van de ondervraagden gebruikt Outlook, 12,9 procent gebruikt Lotus Notes en 10,1 procent werkt met nog een ander e-mailprogramma (IncrediMail, Eudora...). 66,1 procent van de respondenten verstuurt 0 tot twintig e-mails per dag. 27,6 procent verstuurt er tussen de twintig en veertig, 5,0 procent verstuurt tussen de veertig en zestig e-mails per dag, 1,0 procent verstuurt tussen de zestig en tachtig e-mails per dag en 0,4 procent zit daar zelfs nog boven.
Het aantal ontvangen e-mails ligt gemiddeld hoger dan het aantal verstuurde e-mails. Zo ontvangt 39,3 procent dagelijks tussen de 0 en twintig e-mails, 41,5 procent ontvangt er twintig tot veertig, 13,2 procent tussen de veertig en zestig, 3,0 procent tussen de zestig en tachtig en eveneens 3,0 procent méér dan tachtig.
time-smart

5 - Het gevecht met de inbox (2)

Is het niet vreemd dat mensen méér e-mails ontvangen dan ze er versturen? Tom Jacobs van time-smart legt uit: “Eigenlijk schuilt het probleem van de inbox vaak in de outbox, t.t.z. de manier waarop we zelf met het medium omgaan. Denk maar aan funmail. Hoe meer funmail je doorstuurt, hoe meer je er in retour ontvangt. En wie antwoordt op spammail en kettingbrieven, geeft eigenlijk enkel aan dat zijn e-mailadres inderdaad actief is, met als gevolg nóg meer spam. Maar evenzo: als je niet oplet, is je bericht al weg voor je de bijlage had toegevoegd (vergissingen); als je een bericht aan meer dan één bestemmeling stuurt, is elk van hen geneigd te antwoorden (onduidelijke communicatie). Als je niet duidelijk aangeeft van wie je welke actie verwacht, is de kans groot dat ze het naar elkaar beginnen door te schuiven met alle weg-en-weer-gemail vandien (afschuifgedrag).”
91 procent van de respondenten heeft de indruk dat het aantal e-mails dat ze versturen, ontvangen en in de inbox hebben, het laatste jaar nog is gestegen,” aldus het rapport van time-smart. Het gaat dus nóg erger worden! “Niet noodzakelijk”, aldus Tom Jacobs, die erop aandringt dat medewerkers op teamniveau werk maken van het uitwisselen van tips en ervaringen in verband met e-mail. Tegelijk zou ook op bedrijfsniveau meer werk moeten gemaakt worden van het “expliciteren” van een e-mailpolicy en gedragsregels. Uit de enquête blijkt voorts nog dat 98 procent van de respondenten meermaals per dag zijn e-mails nakijkt. En liefst 20 procent leest zijn mails onmiddellijk! Volgens time-smart riskeren e-mails op die manier een prioriteit te krijgen die ze niet verdienen.
“Richtlijnen voor efficiënt e-mailgebruik” is een rapport met info, tips & tricks en kan gratis gedownload worden van de website van time-smart. Men dient zich wel eerst even te laten registreren.
time-smart

6 - Hoe sportief zijn de Fransen ?

Van alle Fransen van 15 tot 75 jaar, verklaren 88 op 100 mannen en 78 op 100 vrouwen aan sport te doen. Hoe jonger, hoe sportiever. In de leeftijdscategorie van 15 tot 24 doen liefst 97 op 100 mannen en 86 op 100 vrouwen aan sport. Op latere leeftijd zakt het aandeel sportievelingen stelselmatig, maar zowel mannen als vrouwen kennen nog één lichte heropflakkering. Bij mannen komt die opstoot alleen iets later - gemiddeld als ze tussen de 45 en 54 jaar oud zijn - dan bij vrouwen. Die voelen het opnieuw kriebelen als ze tussen de 35 en 44 jaar oud zijn. Mannen zijn vaker lid van een sportclub dan vrouwen.
En welke sporten beoefenen onze zuiderburen? Wandelen (42 procent), fietsen (35 procent), zwemmen (32 procent), jeu de boules (21 procent), voetbal (20 procent) en joggen (eveneens 20 procent) worden het vaakst genoemd door mannen. Bij vrouwen spannen wandelen (53 procent), zwemmen (34 procent), fietsen (23 procent), gym (21 procent), joggen (10 procent) en skiën (eveneens 10 procent) de kroon. Gym is de meest “vrouwelijke” sport; van de belangrijke sporten telt ze verhoudingsgewijs het meeste vrouwelijke beoefenaars. Voetbal is de meest “mannelijke” sport. Dat blijkt allemaal uit cijfers van INSEE, het Franse Instituut voor de Statistiek.
Fransen en sportbeoefening

 

 

6minutes belgië ontcijferd # 10 van 8/11/2004
cijfers en statistieken over België, zijn inwoners en zijn buren,
leesbaar gemaakt door het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek)


In deze editie:
1 - Belgische bevolking stijgt met 45.000
2 - Kantoorbedienden hebben meer hoofdpijn
3 - Geweld in Nederland vervrouwelijkt
4 - De lengte van de Belgische kust
5 - De auto, mijn vrijheid ?
6 - Op reis door de Europese Unie

 

1 - Belgische bevolking stijgt met 45.000

Op 1 juli 2004 telde België 10.417.122 inwoners, zo blijkt uit cijfers van het NIS van de FOD Economie. Dat zijn er weer bijna 45.000 meer (plus 0,43 procent) dan het jaar voordien. In Vlaanderen steeg de bevolking met 24.000 eenheden (plus 0,4 procent), in Wallonië met 13.500 (plus 0,4 procent) en in de 19 Brusselse gemeenten met ruim 7.000 (plus 0,7 procent). Brussel rondde de kaap van één miljoen en telt nu 1.004.239 inwoners. Het nieuwe inwonertal van Vlaanderen bedraagt 6.027.395 en dat van Wallonië 3.385.488. In 445 van de 589 gemeenten steeg het bevolkingsaantal, in 142 daalde het en in twee gemeenten, Beernem en Clavier, bleef het inwonertal ongewijzigd.
Herstappe verloor één vrouw en is met zijn 86 inwoners nog steeds de kleinste Belgische gemeente. Ook Mesen (969 inwoners) en Daverdisse (1.339 inwoners) behoren tot de kleinere gemeenten. Antwerpen (met een inwonertal van 457.319), Gent (229.898), Charleroi (200.983), Luik (185.608) en Brussel (143.056) zijn de bevolkingsrijkste gemeenten van het land. De Sinjorenstad kende met 3.147 ook de grootste absolute bevolkingstoename, gevolgd door de gemeente Brussel (plus 2.069), Gent (plus 1.417), Sint-Jans-Molenbeek (plus 1.139), Luik (plus 1.134), Elsene (plus 1.107), Anderlecht (plus 874), Namen (plus 625), Vilvoorde (plus 623) en Dilbeek (plus 545). Procentueel was de toename het grootst in Saint-Georges-sur-Meuse (met 3 op 100 bijkomende inwoners), gevolgd door Martelange, Somme-Leuze, Froidchapelle, Faimes, Attert, Tinlot, Spiere-Helkijn, Bevekom en Terhulpen.
Leuven verloor tussen 1 juli 2003 en 1 juli 2004 466 inwoners, Kortrijk 425, Verviers 277, Ieper 145, Flémalle 138 en Rixensart 136. De procentuele afname was het sterkst in Brugelette (verlies van 2 op 100 inwoners). Ook Ouffet, Bièvre, Engis, Zomergem, Herstappe, Aiseau-Presles, Zuienkerke, Vloesberg en Anhée telden op 1 juli 2004 minder inwoners dan het jaar ervoor.
Bevolking per gemeente op 1 juli 2004

2 - Kantoorbedienden hebben meer hoofdpijn

Pijn hebben als gevolg van het werk (langdurig rechtstaan, intellectuele concentratie, onaangepaste zithouding…) heeft een belangrijke invloed op de mentale en fysieke gezondheidstoestand van het individu. Van alle ondervraagde werknemers verklaart een op drie te lijden aan beroepsgebonden pijn. Daarvan heeft 48 procent rugpijn en 15 procent pijn aan de onderste ledematen of hoofdpijn. Niet-geschoolde arbeiders klagen vooral over rugpijn. Geschoolde arbeiders daarentegen voelen meer pijn in de bovenste ledematen. Kantoorbedienden hebben meer hoofdpijn. Toch probeert meer dan de helft (58 procent) van de actieve bevolking normaal verder te werken. Een op vijf neemt snel een geneesmiddel of probeert zicht te ontspannen zonder het werk te onderbreken en een op tien neemt een pauze. Slechts 3 procent van de werknemers stapt naar huis.
Uit de cijfers valt tevens op te maken dat 15 procent van de respondenten van mening is dat het probleem door de onderneming ernstig wordt genomen. 27 procent spreekt van een totale miskenning en 16 procent heeft het over ‘verwaarlozing’ van het probleem.
Dit alles blijkt uit cijfers van een onderzoek uitgevoerd door het Onderzoeksinstituut INRA in opdracht van de Pain Advisory Board (PAB).
De Belgische site over pijn

3 - Geweld in Nederland vervrouwelijkt

De Nederlandse politie verhoorde in 2003 347.000 verdachten in verband met een misdrijf. Het aantal verdachten per hoofd van de bevolking steeg van 20,8 per duizend in 1998 naar 26,2 per duizend in 2003, zo blijkt uit berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Bijna negen op tien gehoorde verdachten zijn mannen maar vrouwen - en dan vooral minderjarige - zijn aan een inhaaloperatie bezig. Per hoofd van de bevolking steeg het aantal verdachte vrouwen sterker dan het aantal verdachte mannen. Het aantal meerderjarige mannelijke verdachten per hoofd van de bevolking steeg in de periode 1998-2003 met 25 procent, het aantal meerderjarige vrouwelijke verdachten met 38 procent. Geteld werden alle misdrijven, zowel misdrijven op het gebied van vermogen, vernieling en geweld als verkeers-, drugs- en vuurwapendelicten. Nog groter is het verschil in ontwikkeling tussen de aantallen jongens en meisjes die verdacht werden van een misdrijf: het aantal gehoorde verdachte meisjes per hoofd van de bevolking steeg met 48 procent, terwijl het aantal verdachte jongens “slechts” met 14 procent toenam.
Op het gebied van criminaliteit zijn minderjarige vrouwen bezig met een inhaalslag die rond 1980 begon. In 2003 wordt nu een voorlopig hoogtepunt bereikt met 16 verdachte meisjes op 100 verdachte jongeren. In vergelijking met het begin van de jaren zestig is het aandeel van de meisjes in de totale jeugdcriminaliteit verdubbeld. Het aandeel van meisjes in de geweldsdelicten en vernielingen is sinds 1960 zelfs verdrievoudigd. Waarschijnlijk is dit niet het soort emancipatie waar men in Nederland op zit te wachten.
Verhoorde verdachten volgens geslacht en soort misdrijf

4 - De lengte van de Belgische kust

Hoe lang is de Belgische kust ? Wel, die vraag is niet zomaar te beantwoorden. De zeegrens kan namelijk op drie manieren berekend worden, en de drie berekeningswijzen resulteren in drie verschillende uitkomsten. De Belgische kust is ofwel 72,3 km, ofwel 66,6 km ofwel 65,3 kilometer lang.
De eerste optie is de lengte meten van de kromme van niveau 0 op basis van de tweede algemene waterpassing - niveau 0 komt overeen met het gemiddeld zeeniveau bij eb - waarbij rekening gehouden wordt met de haven van Zeebrugge. De kust is dan 72,3 km lang. De tweede optie: hetzelfde, maar géén rekening houden met de haven van Zeebrugge. De lengte van de Noordzeekust bedraagt dan nog 66,6 km. Kiest men voor de derde optie, dan wordt onze kust nog wat korter. Men meet dan de rechte tussen de twee uiterste punten van de Belgische zeegrens. Dat levert een kustlijn van 65,3 km op.
Lengte van de landsgrenzen

5 - De auto, mijn vrijheid ?

In 2003 nam de verkeersdrukte opnieuw met 0,4 procent toe. Het aantal afgelegde voertuigen-kilometer nam sterker toe op autosnelwegen (plus 0,8 procent) en gemeentewegen (plus 0,5 procent) dan op gewest- en provinciewegen (plus 0,2 procent). Er zijn ook regionale verschillen. In het Waals Gewest nam de verkeersintensiteit met 1,3 procent toe, in Vlaanderen was er ongeveer een status-quo (min 0,1 procent) en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest daalde het aantal afgelegde kilometer met 0,9 procent. Snelwegen krijgen meer dan een derde van het totale verkeer te slikken (34 procent), gewest- en provinciewegen 43 procent en gemeentwegen de resterende 23 procent.
Het overgrote deel van de weggebruikers bestaat uit personenwagens. Ze zijn goed voor 84,1 procent van de totaal afgelegde kilometers, vrachtwagens en trekkers voor 14,4 procent, motorrijwielen voor 1,1 procent en autobussen en autocars voor 0,7. Belgische personenwagens legden in 2003 gemiddeld 15.039 kilometer af op onze wegen. In 1985 was dit nog 12.493 kilometer of 20,4 procent minder!
De gegevens zijn afkomstig van de FOD Mobiliteit en Vervoer en werden verder verwerkt door het NIS van de FOD Economie.
Het Mobiliteitsportaal

6 - Op reis door de Europese Unie

De Europese Commissie publiceerde een overzichtelijke brochure voor het grote publiek met actuele cijfers en grafieken, “Belangrijke feiten en cijfers over de Europese Unie”. Daaruit blijkt onder meer dat de EU meer dan viermaal zo dicht bevolkt is als de Verenigde Staten en ongeveer veertigmaal zo dicht als Canada. De bevolkingsdichtheid zet het milieu en de natuurlijke rijkdommen onder druk, wat een van de redenen is waarom duurzame ontwikkeling tegenwoordig hoge prioriteit heeft. Alle EU-landen zijn de afgelopen tien jaar welvarender geworden en de levensstandaard van hun burgers is merkbaar gestegen. Met name Ierland, een land dat relatief arm was toen het toetrad tot de EU, heeft een opvallend grote vooruitgang geboekt. Dat is mee te danken aan de hulp van de Europese Unie. Verwacht wordt dat ook de landen die zich in 2004 bij de EU hebben aangesloten een vergelijkbare sprong voorwaarts zullen maken. Naarmate burgers van de EU welvarender worden, geven zij meer geld uit en dat is gunstig voor het Europese bedrijfsleven. Uitgedrukt in KKS („koopkrachtstandaard“, een indicator die een zo betrouwbaar mogelijk beeld geeft van de levensstandaard in de verschillende landen) per inwoner is België momenteel het zesde rijkste land van de Europese Unie. Alleen Luxemburg, Ierland, Denemarken, Nederland en Oostenrijk gaan ons nog vooraf.
De afgelopen dertig jaar is het opleidingsniveau van de EU-bevolking als geheel voortdurend gestegen. Vrouwen, die een generatie geleden nog een lager opleidingsniveau hadden dan mannen, hebben de achterstand nu ingehaald of zijn mannen zelfs voorbijgestreefd.
Uit een in december 2000 gehouden onderzoek kwam naar voren dat 53 procent van de Europeanen zegt minstens één Europese taal te spreken naast zijn of haar moedertaal, terwijl 26 procent beweert twee vreemde talen te spreken. Naast hun moedertaal kennen Europeanen vooral Engels (41 procent), Frans (19 procent), Duits (10 procent), Spaans (7 procent) en Italiaans (3 procent).
Belangrijke feiten en cijfers over de Europese Unie


 

6minutes belgië ontcijferd # 9 van 11/10/2004
cijfers en statistieken over België, zijn inwoners en zijn buren,
leesbaar gemaakt door het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek)

Deze editie is verzonden naar 5415 abonnees


 

In deze editie:
1 - Weekeffecten…
2 - … en dageffecten in de Koningin Elisabethwedstrijd
3 - Over arbeid en arbeidskrachten
4 - Buitenlandse handel België groeit minder
5 - België, een open land
6 - De kunst van het reizen

1 - Weekeffecten…

De Koningin Elisabethwedstrijd geldt als een van de belangrijkste muziekwedstrijden ter wereld. Beurtelings is ze voorbehouden aan viool, piano en zang. De VUB-onderzoekers Bruno Heyndels en Kristien Werck publiceerden in het muziekblad Contra. een driedelige analyse van de uitslagen van de 24 wedstrijden voor piano en viool die tussen 1956 en 2003 werden georganiseerd. Uit hun cijfers blijkt dat vrouwen gemiddeld slechter geklasseerd worden dan mannen, dat de keuze van het vrije muziekstuk een rol speelt en dat er zich bovendien een “weekeffect” en een nog sterker “dageffect” manifesteert.
De finale vindt plaats tijdens zes opeenvolgende dagen met telkens twee kandidaten per dag. Hoewel de volgorde van aantreden van de twaalf muzikanten bij lottrekking gebeurt en dus puur willekeurig is, stelt men toch vast dat finalisten die later in de week aantreden, systematisch hoger gerangschikt worden dan finalisten die vroeger in de week voor het voetlicht treden (het “weekeffect”). Kandidaten die de wedstrijd openden, eindigden gemiddeld 8,81ste (op twaalf kandidaten). Kandidaten die in de eerste helft van de finaleweek optraden, eindigden gemiddeld 7,05de. Kandidaten uit de tweede wedstrijdhelft eindigden gemiddeld op de 5,95ste plaats.

2 - … en dageffecten in de Koningin Elisabethwedstrijd

Tevens eindigt de tweede kandidaat van de dag in de Koningin Elisabethwedstrijd systematisch hoger dan de eerste (het “dageffect”). Wanneer men de resultaten van de wedstrijd grafisch weergeeft, verkrijgt men een curve met een zaagtandstructuur. Kandidaten die als eerste het concertpodium beklommen, strandden gemiddeld op de 7,24ste plaats, terwijl kandidaten die als tweede op een finaledag speelden gemiddeld als 5,76ste werden geklasseerd.
Van alle 144 kandidaten die als tweede op een finaledag optraden, waren er 90 die bij de eerste zes laureaten eindigden en slechts 54 die de top-6 niet haalden. Het is dus duidelijk dat de volgorde van aantreden veel belang heeft, ofschoon deze puur bij lottrekking bepaald wordt. Hoe vallen deze effecten te verklaren? Meerdere pistes werden al naar voren geschoven: het ontbreken van een referentiekader bij het begin van de jurering en de daarmee samenhangende lagere quotering (uit voorzichtigheid), vermoeidheid van de juryleden (waardoor ze minder oog krijgen voor technische tekortkomingen), grotere stress bij de eerste kandidaten, steeds betere uitvoering door de begeleidende orkestleden... Een remedie ligt niet voor de hand. “De meeste oplossingen zijn onverenigbaar met de eigenheid van de wedstrijd of genereren zelfs nieuwe problemen,” zo merken Heyndels en Werck nuchter op.
Verhandeling van Steven Sweldens: “Last but not least: volgorde-effecten bij beoordelingen”

3 - Over arbeid en arbeidskrachten

In ons land woonden vorig jaar 4.070.355 personen met een job. Hiervan werkte 56,0 procent in het Vlaams Gewest, 25,9 procent in het Waals Gewest, 16,0 procent in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 2,1 procent in het buitenland. In totaal werken 1,3 miljoen bedienden en 1,1 miljoen arbeiders in de private sector en 1 miljoen personen in de openbare sector. Ook zijn er meer dan 600.000 ingeschreven als zelfstandige of als helper.
78,4 procent van alle loontrekkenden werkt voltijds. Bij de mannen gaat het 93,6 procent en bij de vrouwen om 59,0 procent. 11,9 procent van de deeltijds werkenden wenst geen voltijds werk, 19,2 procent verklaart geen voltijds werk gevonden te hebben, 24,5 procent staat in voor de kinderopvang en 24,8 procent geeft persoonlijke of familiale redenen als oorzaak. Een klein aantal loontrekkenden is met brugpensioen en mag daardoor slechts deeltijds werken (1,3 procent) of is arbeidsongeschikt (2,9 procent). Daarnaast zijn nog andere redenen om deeltijds te werken.
De cijfers komen uit de publicatie ‘Enquête naar de arbeidskrachten’ die men kan downloaden van de site van het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie).
Resultaten van de Enquête naar de Arbeidskrachten 2003

4 - Buitenlandse handel België groeit minder

Over de periode 1980-2003 steeg de Belgische buitenlandse handel - het gemiddelde van de in- en uitvoer van goederen en diensten tegen vaste prijzen - naar volume jaarlijks gemiddeld met 4,2 procent. Dat is veel sterker dan de groei van de economische activiteit op zich, die met 1,9 procent toenam. De uitbreiding van Belgiës buitenlandse handel was wel de zwakste van de landen van het eurogebied, waar hij gemiddeld 4,8 procent toenam. Dat schrijft Wim Melyn in het laatste nummer van het Economisch Tijdschrift, een publicatie van de Nationale Bank van België.
De auteur geeft een aantal verklaringen voor de kleinere groei van de buitenlandse handel van België. Zo viel de gemiddelde economische groei in België tijdens de periode 1980-2003 (1,9 procent) lager uit dan die van het eurogebied (2,2 procent). Dat was een gevolg van de inhaalbeweging die Spanje, Portugal en vooral Ierland maakten, maar ook wel van het feit dat de groei in België gedurende de eerste helft van de jaren tachtig onder het niveau van de drie belangrijkste buurlanden bleef. Daarenboven heeft de integratie van Spanje, Portugal en Ierland in de EU er een sterke stijging van de internationale handel veroorzaakt. En als laatste verklaring wijst Melyn er op dat België ook vóór 1980 reeds een hoge openheidsgraad bezat.
In de periode 1980-2003 steeg de Belgische uitvoer van goederen en diensten jaarlijks gemiddeld met 4,3 procent (verloop tegen vaste prijzen). Alleen Griekenland (3,7 procent) en Italië (4,1 procent) deden het slechter. In de ganse eurozone bedroeg de gemiddelde toename van de uitvoer 4,9 procent. Duitsland (4,5 procent, gegevens van West-Duitsland tot en met 1992), Frankrijk (4,8 procent), Nederland (4,9 procent) en Oostenrijk (5,1 procent) deden het enkele procentpunten beter dan België; in Finland (5,3 procent), Portugal (6,0 procent), Spanje (7,0 procent) en Luxemburg (7,0 procent) lag de jaarlijkse gemiddelde toename van de uitvoer tussen 1980 en 2003 1 à 2,7 procentpunten hoger dan in België en in Ierland tenslotte kende de export een spectaculaire groei van 10,6 procent per jaar.
Economisch Tijdschrift van de Nationale Bank van België

5 - België, een open land

De openheidsgraad van België - de verhouding tussen het gemiddelde van de in- en uitvoer van goederen en diensten enerzijds en van de finale vraag anderzijds - beliep over de periode 1995-2003 gemiddeld 43,7 procent. België is daarmee derde in het eurogebied, waar de openheidsgraad gemiddeld 24,9 procent bedraagt. Wat de buitenlandse handel in diensten betreft, heeft België met 7,5 procent de vierde grootste openheidsgraad van de landen van het eurogebied. Ons land plaatst zich na Luxemburg (een land met een belangrijke financiële sector), Ierland en Oostenrijk. Frankrijk en Duitsland hebben dan weer een erg lage openheidsgraad voor de buitenlandse handel in diensten.
Voor de buitenlandse handel in goederen heeft België de hoogste openheidsgraad van alle landen van het eurogebied, namelijk 36,2 procent Het centraal gelegen België drijft intensief handel met de andere eurolanden. Een aantal landen aan de rand van het eurogebied, zoals Ierland en Finland, hebben wel een grotere openheidsgraad dan België voor de transacties met de landen buíten het eurogebied.
Sinds 1980 is de buitenlandse handel in goederen en diensten bijna continu sneller gegroeid dan de finale vraag, een tendens die zich handhaafde tijdens de tweede helft van de jaren negentig in de landen van het eurogebied. De creatie van de eenheidsmarkt heeft in dat opzicht blijkbaar als katalysator gefungeerd aangezien de groei van de buitenlandse handel vanaf 1994 is versneld. De openheidsgraad van het eurogebied steeg daardoor van 21,7 procent in 1980 tot 25,9 procent in 2003. In België steeg hij tijdens dezelfde periode van 36,5 procent tot 45 procent, aldus nog Wim Melyn in het Economisch Tijdschrift.
Economisch Tijdschrift van de Nationale Bank van België

6 - De kunst van het reizen

Reizen vinden we steeds belangrijker. Als populairste bestemming van de Belgen voor de langere vakanties (reis van 4 nachten en meer) stond in 2003 ons eigen land op nummer één (24,2 procent), gevolgd door Frankrijk (23,4 procent), Spanje (12,7 procent) en Italië (6,0 procent).
De topbestemmingen voor de korte vakanties zijn België, Frankrijk, Nederland en Duitsland. ‘Globetrotters’ naar vreemde bestemmingen verkiezen Afrika (508.992 vakanties) boven Centraal- en Zuid-Amerika (129.143), Azië (80.999) en Noord-Amerika (61.876).
De auto blijft het meest gebruikte vervoermiddel (62,4 procent), gevolgd door het vliegtuig (23,8 procent), autobussen en autocars (7,8 procent) en de trein (5,0 procent). 37 reizigers op 100 prefereren een verblijf in een hotel tijdens hun lange vakantie, 18 op 100 geeft de voorkeur aan een privé-accommodatie (logement bij vrienden, familie…) en 16 op 100 aan een gehuurde toeristische woning. Slechts 6 vakantiegangers op 100 zweren bij een vakantieverblijf op een camping.
De meeste mensen organiseren hun reis zelf. Toch blijven pakketreizen - reizen waarbij zowel het vervoer als het verblijf door de touroperator wordt verzorgd - niet alleen de voorkeur genieten bij reizen naar ver gelegen oorden maar ook naar dichterbij gelegen bestemmingen zoals Griekenland en Turkije.
Alle cijfers komen uit de jaarlijkse publicatie ‘Reisonderzoek’ die men kan downloaden van de site van het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek, Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie).
Downloadbare publicaties van het NIS “Reisonderzoek”


in samenwerking met het NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie - FOD Economie)

Redactie: Erik Vloeberghs
Reacties en persberichten: editor@6minutes.net